Wet- en regelgeving

Thema: gescheiden aanbesteding veldwerk en uitwerking van archeologisch onderzoek.

Op de NVAO-website geplaatst op 19 maart 2013.

Dit thema is in juni 2012 besproken in het Centraal College van Deskundigen  Archeologie (CCvD-A). Naar aanleiding daarvan heeft het CCvD besloten dat een nadere notitie met het standpunt van het CCvD zou volgen. Het gaat over IVO-Proefsleuven en Opgravingen. Partijen die het betreft worden rechtsreeks van dit standpunt op de hoogte gesteld. De notitie wordt mede door OCW onderschreven en wordt nog rondgestuurd voor reactie door de CCvD-leden. Standpunt wordt vervolgens op de SIKB website gepubliceerd.

Op de SIKB-website is naar aanleiding daarvan de volgende tekst geplaatst:

Gescheiden (laten) uitvoeren van archeologisch veldwerk en uitwerking en rapportage (on)gewenst?

Aan het CCvD Archeologie is de vraag voorgelegd  (vergadering 10 september 2012).  Het CCvD Archeologie en de RCE zijn van mening dat het uitvoeren van een opgraving en de uitwerking en rapportage door verschillende partijen uit een oogpunt van kwaliteit zeer ongewenst is en in strijd is met de verantwoorde­lijk­heden van de vergunninghouder in de Monumentenwet.

Overwegingen  van het CCvD Archeologie

  • Het gaat hier om de beschrijvingen in KNA-protocol 4004 Opgraven (deelproces 2 Veldwerk en deelproces 4 uitwerken Veldwerk) en de verplichtingen van de vergunning­houder in de Monumentenwet en het Bamz.
  • Een archeologische opgraving is een zeer kennisintensieve activiteit. Het interpreteren van de resultaten, het uitwerken en rapporteren: het vergt het combineren van gegevens uit het veld om tot een juiste interpretatie te komen.  De kennis van de opgraving berust bij ‘het veldwerkteam’. Juist om deze overdraagbaar te maken is een rapportage vereist. Het CCvD is van mening dat de overdracht  van een project naar een geheel andere partij voorafgaand aan de rapportage op verschillende vlakken kwaliteits­verlies sterk in de hand werkt. De kwaliteit van archeologisch onderzoek wordt deels bepaald door de in de KNA omschreven  processtappen, maar voor een belangrijk deel ook door niet vooraf vastgelegde keuzes die direct samenhangen met de kennis en ervaring van de (Senior) KNA Archeoloog/leidinggevende van een onderzoek. Het is in dat licht wenselijk – en ook een algemeen aanvaarde praktijk – dat degene die het veldwerk heeft uitgevoerd ook nauw betrokken is bij de uitwerking. De meeste know how zit immers in eerste instantie bij de actoren die het onderzoek (lees: het veldwerk) hebben uitgevoerd.
  • Met betrekking tot de juridische aspecten overweegt het CCvD dat de vergunninghouder juridisch gezien in een zeer moeilijke positie komt: hij is immers volgens artikel 46 van de Monumentenwet verplicht tot het deponeren van de vondsten en de documenten binnen 2 jaar na het afronden van het veldwerk. Deze verantwoordelijkheden kan hij niet waarmaken als een deel van dat werk niet onder zijn verantwoordelijk­heid tot stand komt.

Het standpunt van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)  

  • Het standpunt van de RCE luidt: “Vanuit  de rol als vergunningverlener en handhaver van de voorschriften (namens de Minister) onderschrijft de RCE het standpunt van het CCvD. Het standpunt van het CCvD luidt dat deze van mening is dat het  uitvoeren van een opgraving en de uitwerking en rapportage door verschillende partijen uit een oogpunt van kwaliteit zeer ongewenst is en in strijd met de verantwoordelijkheden van de vergunninghouder (opgra­vings­vergunning). In het rapport van de Erf­goed­inspectie (EGI) “kwaliteit een zorg” wordt ook aangegeven dat de kennis van het veldteam belangrijk is voor de uiteindelijke kwaliteit van een opgraving (zoals ook door het CCvD aangegeven). In het RCE-uitstelbeleid voor rapporten staat nadrukkelijk aangegeven dat het uitblijven van een vervolgopdracht voor uitwerking en rapportage geen reden is voor uitstel van de rapportageplicht. Dit omdat de plicht tot rapportage rust op de houder van de opgravingsvergunning. De wijze van contracteren van veldwerk en rapportage is voor zijn risico.

Thema: combineren van bureauonderzoek, IVO-p en PvE.

Op de NVAO-website geplaatst op 29 april 2013.

Dit thema is in december 2010 besproken in het Centraal College van Deskundigen  Archeologie (CCvD-A) naar aanleiding van een memo van de RCE (Gerda de Bruijn).

De RCE ontving onlangs via het archismeldpunt van een vergunninghouder het verzoek om drie processtappen bureauonderzoek, IVO d.m.v. boringen en PvE samen te voegen. Vergunninghouder geeft aan daarbij geen afbreuk te zullen doen aan de KNA-eisen en de provinciale en gemeentelijke richtlijnen en alle vereiste gegevens op te nemen in het PvE en de bijlagen van het PvE. Het PvE dient dus als standaardrapport voor het bureauonderzoek én voor het IVO middels grondboringen.

Als argument voor deze werkwijze voert de vergunninghouder aan dat de KNA alleen voorschrijft welke informatie verwerkt dient te worden in het rapport, maar niets voorschrijft over de vormgeving van het rapport.

De RCE is van mening dat het rapport niet in het PvE verwerkt kan worden als het rapport daarnaast niet ook als eigenstandig document beschikbaar blijft.

De opgravingsvergunning is duidelijk over de verplichting tot rapporteren. De vergun­ninghouder (opgravingsvergunning) is, overeenkomstig de vergunningvoorschriften, ge­hou­den tot handelen conform de normen van de archeologische beroepsgroep. De KNA is een uitwerking van deze normen. In de diverse KNA protocollen staan vormvereisten aan het rapport. In de Memorie van Toelichting op de Wet op de archeologische monumentenzorg wordt hiernaar ook verwezen: “Elk onderzoek (inventariserend dan wel destructief) dient een basisrapportage op te leveren. Op grond van het rapport moet verder wetenschappelijk onderzoek mogelijk zijn. Dit zogeheten standaardrapport is het eindverslag van een opgraving, compleet met de rapporten van de specialist(en)”.

Bovendien geeft de KNA 3.1. en 3.2. een duidelijke definitie van het begrip standaard­rapport. In deze definitie staat dat de basisgegevens zodanig (controleerbaar) worden gepresenteerd dat verder wetenschappelijk onderzoek kan worden uitgevoerd. Het verwerken van de rapportagegegevens in een pve voldoet naar de interpretatie van de RCE niet aan het vereiste van een zodanige presentatie. Onder een controleerbare presentatie behoort naar de mening van het RCE dat het rapport eigenstandig toegan­kelijk is. Het pve en het rapport dienen een andere stap in het proces van archeologisch onderzoek. Het leidt tot een onheldere en moeilijk verifieerbare situatie indien deze documenten onder dezelfde naam maar met verschillende inhoud op verschillende momenten in het proces terugkomen.

De vergadering besluit met het volgende:

Het CCvD kan zich vinden in de interpretatie en motivatie als boven weergegeven. Het combineren van processtappen bureauonderzoek, IVO d.m.v. boringen en PvE samen te voegen is niet gewenst. Dit geldt eveneens voor het combineren van bureauonderzoek, proefsleuvenonderzoek en PvE.